Prematuriteit en ASS: een dosis-effectrelatie
Vroeggeboorte staat al langer bekend als een belangrijke risicofactor voor de ontwikkeling van een autismespectrumstoornis. Uit grootschalig retrospectief onderzoek blijkt nu dat er, na correctie voor verschillende confounders, een duidelijke dosis-effectrelatie is tussen de zwangerschapsduur en het risico op ASS.
Wat houdt die dosis-effectrelatie in? Het betekent dat de kans dat een kind de diagnose van ASS krijgt, geleidelijk stijgt naarmate de prematuriteit toeneemt. Vroege prematuriteit (< 28 weken) gaf in de studie(1) een hoger risico op ASS (OR ~ 4.37) dan matige prematuriteit (OR ~ 1.95 op 32 weken). Het risico bij late prematuren (34-36 weken) lag nog iets lager (OR ~ 1.5), maar deze kinderen vertonen dus nog steeds een verhoogd risico op ASS t.o.v. voldragen baby’s, iets wat vaak onderschat wordt.
Daartegenover staat dat kinderen geboren tussen 37-42 weken een significant lager risico vertoonden om ASS te ontwikkelen (OR ~ 0.61). Geboren worden na 42 weken leek de kans op de ontwikkelingsstoornis dan weer niet significant te beïnvloeden.
Fijnmazige correlatie
De correlatie tussen ASS en prematuriteit is niet nieuw, maar werd in dit patiënt-controleonderzoek wel verfijnd. De onderzochte cohorte betrof zo’n 140.000 kinderen geboren tussen 2011 en 2023, waarbij in totaal 1.861 diagnoses van ASS werden gesteld(2). Elke patiënt werd zorgvuldig gematcht aan wel tien controlegevallen: kinderen zonder ASS, maar met gelijkaardige demografische en maternale factoren (leeftijd, geslacht, geboortejaar, leeftijd van de moeder, zwangerschapsduur, socio-economische status en geboorteregio). Op die manier werd de invloed van een hoop verstorende variabelen weggewerkt.
De analyse van deze real-world dataset toonde een graduele risicostratificatie aan, waarbij het risico op ASS toeneemt naarmate de prematuriteit toeneemt (of de zwangerschapsduur afneemt). Hoewel een dergelijk dosis-effect-risicopatroon binnen de epidemiologie suggestief is voor een oorzakelijk verband, is er nog geen bewijs voor causaliteit. Welke pathofysiologische mechanismen precies meespelen, weten we dus niet. De auteurs speculeren dat wittestofziekte (periventriculaire leucomalacie) de link tussen prematuriteit en het risico op ASS (deels) zou kunnen verklaren.
Risico-inschatting
Om de juiste begeleiding te kunnen verzekeren voor het kind, is het belangrijk om een neurobiologische ontwikkelingsstoornis vroegtijdig op te pikken. Deze gegevens bevestigen dat zorgverleners alert moeten blijven voor de mogelijkheid van ASS bij prematuur geboren kinderen, niet alleen in het geval van extreme prematuriteit, maar ook bij matige en zelfs bij late prematuren. De inzichten kunnen daarnaast helpen om een meer genuanceerde risico-inschatting te geven aan ouders.
Referenties:
1. Israel A, Mimouni FB, Vinker S, et al. Prematurity and autism: a dose-response relationship across gestational age.J Perinatol (2026). doi:10.1038/s41372-026-02632-x.
2. De ASS-diagnoses werden geregistreerd volgens de ICD-10-classificatie en zo uit de medische dossiers gehaald.