Hormonale contraceptie en risico op trombo-embolie: wat is het beste beleid?
Vaak moet de arts een hormonale contraceptie kiezen bij patiënten die risico lopen op trombo-embolie. Volgens een overzichtsartikel dat recentelijk in the New England Journal of Medicine is gepubliceerd, verschilt het risico op trombo-embolie van product tot product.
Gecombineerde orale anticonceptiva verhogen het risico op veneuze trombo-embolie. Het risico is ongeveer 3,5-maal hoger dan bij vrouwen die geen hormonale contraceptie gebruiken. In de algemene bevolking wordt de incidentie van veneuze trombo-embolie geraamd op 1,9-3,7 per 10.000 persoonsjaren bij vrouwen die geen hormonale contraceptie gebruiken. Volgens de recente gegevens verschilt het risico sterk naargelang van de hoeveelheid oestrogeen, het type progestageen en de toedieningsweg.
Sterke verschillen tussen gecombineerde hormonale anticonceptiva
Het risico is lager met een pil die levonorgestrel bevat, en is het laagst met een combinatie van ethinyloestradiol 20 µg en levonorgestrel (circa vijf gevallen van trombo-embolie per 10 .000 persoonsjaren). De incidentie met ethinyloestradiol 30-40 µg en een progestageen verschilt naargelang van het type progestageen: 7,6/10.000 met levonorgestrel, 16,2 met desogestrel, 14,7 met gestodeen en 13,6 met drospirenon.
Het risico op trombo-embolie blijkt niet lager te zijn met transdermale pleisters of een vaginale ring dan met gecombineerde orale anticonceptiva: incidentie van circa acht per 10.000 persoonsjaren. Er is echter minder informatie over bepaalde combinatiepillen.
Welke plaats voor contraceptie met een progestageen?
Het risico op trombo-embolie blijkt lager te zijn met een contraceptie die enkel een progestageen bevat, maar het risicoprofiel verschilt sterk naargelang van het progestageen. Een levonorgestrelspiraaltje blijkt het risico op toediening niet te verhogen: incidentie van 2,1 per 10.000 persoonsjaren, wat dus vergelijkbaar is met het risico dat wordt gemeten bij vrouwen die geen contraceptie gebruiken.
Een minipil met een lage hoeveelheid progestageen verhoogt het risico licht. Het risico is evenwel hoger bij injectie van medroxyprogesteronacetaat (incidentie van 11,9 per 10.000 persoonsjaren en gecorrigeerd relatief risico van 5,7). Er is minder informatie over implantaten met een progestageen. We weten dus niet of die al dan niet het risico op trombo-embolie verhogen.
Je moet de keuze bij elke vrouw afzonderlijk maken, afhankelijk van het lichaamsgewicht, het rookgedrag, de leeftijd en een eventuele trombofilie. Bij patiënten met een hoog risico op veneuze trombo-embolie kan je het best opteren voor een levonorgestrelspiraaltje of een minipil met een lage hoeveelheid progestageen.
Na een veneuze trombo-embolie in samenhang met hormonale contraceptie mag je de antistollingstherapie meestal na drie tot zes maanden stopzetten als de patiënte geen hormoontherapie meer krijgt. Bij een patiënte die een antistollingstherapie krijgt, kan je de hormonale contraceptie voorzetten na evaluatie van de risico-batenverhouding.
Referenties:
1. Skeith L, Bates SM. Sex Hormone Influences on Venous Thrombotic and Cardiovascular Risk. N Engl J Med. 2026;394(15):1514-1528. doi:10.1056/NEJMra2202438.
2. Yonis HGH, Mørch LS, Løkkegaard E, et al. Contemporary Hormonal Contraception and Risk of Venous Thromboembolism. JAMA. 2025;333(15):1358-1361. doi:10.1001/jama.2024.28778.