Stressincontinentie
Stressincontinentie na prostatectomie (deel 1): een minutieuze evaluatie
Er bestaan meerdere chirurgische oplossingen voor een persisterende urine-incontinentie na een radicale prostatectomie. De keuze van de techniek en het welslagen van de operatie hangen echter vooral af van de kwaliteit van de evaluatie.

Voor chirurgie voor urine-incontinentie na een radicale prostatectomie is een zorgvuldige evaluatie vereist (1) teneinde:
- de onderliggende pathofysiologische mechanismen te ontrafelen,
- de chirurgische techniek te bepalen,
- de haalbaarheid en de prognose van de interventie te evalueren en de patiënt erover in te lichten.
Dr. Manon Dewandre, urologe gespecialiseerd in urine-incontinentie binnen het team van het CHU van Luik, legt uit hoe zij te werk gaat.
Stap 1: grondige anamnese en klinisch onderzoek
Bij de anamnese moet je het type incontinentie bepalen (stress-, aandrangs- of gemengde), de ernst en de invloed ervan op de levenskwaliteit evalueren, relevante comorbiditeiten opsporen en informatie inwinnen over de oncologische voorgeschiedenis. “Ook moet je evalueren wat de patiënt wil, en nagaan of hij over voldoende cognitieve, motorische en intellectuele vermogens beschikt om de activeringspeer van een eventuele kunstmatige fistel te bedienen”, voegt dr. Dewandre eraan toe. Bij klinisch onderzoek moet je de stressincontinentie bevestigen. Als plaatsing van een suburethraal riempje wordt overwogen, kan een test met compressie van de bulbaire urethra het resultaat van de interventie voorspellen.
Stap 2: niet-invasieve functionele evaluatie
Het is belangrijk informatie te verzamelen over het urinelozingspatroon. Aan het CHU van Luik vragen we de patiënt twee keer gedurende minstens 24 uur bepaalde gegevens te noteren in een dagboek. Dat helpt bij het evalueren van de functionele blaascapaciteit, het opsporen van urge-incontinentie of een probleem van compliantie, een eventuele polyurie te diagnosticeren en urinelekken te correleren met stress. De “pad test” van 24 uur met wegen van het incontinentiemateriaal geeft informatie over de hoeveelheid urineverlies en over de eventuele correlatie ervan met de gerapporteerde fysieke activiteiten.
Stap 3: technische onderzoeken
Urine-incontinentie na prostatectomie is meestal te wijten aan een sfincterprobleem, geïsoleerd (25-50% van de gevallen) of samen met een blaasdisfunctie (40% van de gevallen). De diagnose van sfincterdeficit wordt vooral klinisch gesteld, maar een urodynamisch onderzoek is essentieel bij de preoperatieve evaluatie. Daarom voeren wij dat aan het CHU van Luik stelselmatig uit.
Doel van een urodynamisch onderzoek:
- evaluatie van de kwaliteit van de blaaslediging,
- meting van de maximale sluitingsdruk van de urethra,
- opsporing van overactiviteit van de m. detrusor,
- opsporing van een verminderde blaascompliantie. Een sterk verminderde blaascompliantie kan een contra-indicatie zijn voor chirurgie.
Ook wordt altijd een cystoscopie uitgevoerd om een stenose van de urethra of een ander obstakel, poliepen of stenen op te sporen. “In voorkomend geval moet je die eerst behandelen.” Met een cystoscopie kan je ook de resterende sfincterfunctie ramen en de blaaswand beoordelen (bestralingscystitis).
Op grond van al die elementen kan je dan de behandeling kiezen die de levenskwaliteit van de patiënt het best zal verbeteren.
Opmerking:
Volgens de verschillende studies bedraagt de incidentie 4% tot 69% naargelang van de definitie van incontinentie.
>> Afspraak volgende maand met een artikel over de chirurgische technieken voor de behandeling van urine-incontinentie na prostatectomie.